Inleiding bij het Bonaire-nummer van Neerlandia door Luit. J.A. Snijders Jr. (Jrg.11 – 1907)

January 25, 2017
Ruines -

Ruïnes. (Foto van den heer Krijt)

Het is met groote vreugde, dat het Bestuur der-Groep Nederlandsche Antillen de verschijning begroet van dit Bonaire-nummer. In het moederland is het Curaçao-nummer allerwege met groote belangstelling ontvangen; 7500 exemplaren zijn over de geheele wereld verspreid geworden en geen Nederlander, die aanspraak maakt op den naam van ontwikkeld man, kan thans nog onbekendheid voorwenden omtrent het eiland Curaçao en de toestanden, welke daar heerschen.
Moge onzen arbeid warme belangstelling voor onze kolonie hebben gewekt.

Was de onbekendheid omtrent het hoofdeiland groot, hoeveel te erger is dat niet het geval met de overige eilanden der kolonie! Hoe weinigen weten in Holland iets af van Bonaire! En is het niet onze plicht ons goed op de hoogte te stellen van onze koloniën en de daar heerschende toestanden.
Moeten wij niet medeleven met onze broeders, indien wij verlangen, dat ook zij belang blijven stellen in het moederland?
Het Verbond moet een keten vormen, die alle takken van den Nederlandschen stam over de geheele wereld met elkaar vereenigt; een keten wier schakels onverbreekbaar zijn.
Moge ook door dit Bonaire-nummer weder zulk een schakel in dien keten worden gevormd.

Geen vier jaar geleden was het Verbond nog geheel onbekend op Bonaire. Als vertegenwoordiger van het Verbond in deze kolonie wendde ik mij in Juni 1904 tot den Hoog Edel Gestrengen heer A.E.J. van den Brandhof, gezaghebber van het eiland, met het verzoek om de belangstelling voor het Verbond onder de bewoners te willen opwekken. Dank zij zijn krachtige medewerking, gelukte het reeds dadelijk 9 leden voor het Verbond te winnen en verklaarde de heer C.J. Krijt, hoofd der openbare school zich bereid als vertegenwoordiger te willen optreden. Ook werd al dadelijk op verzoek van den heer Van den Brandhof de hulp der Boeken-Commissie ingeroepen tot het oprichten eener boekerij op Bonaire.
Zoo werd de hand dus flink aan den ploeg geslagen.

Het aantal leden nam gestadig toe en dank zij de groote toewijding en ijver, waarmede de heer Krijt de Verbondsbelangen behartigt, is Bonaire op de ledenlijst onzer Groep thans goed vertegenwoordigd. Welk een beschamend voorbeeld is hier door dit kleine eiland gegeven aan vele grootere gemeenten in het moederland zelf.
Teneinde het eiland en zijne bewoners beter te leeren kennen, alsmede om de leden meer bekend te maken met onze beginselen, hen op te wekken tot de samenstelling van een Bonaire-nummer en hiervoor gegevens te verzamelen, werd door mij in overleg met den heer Krijt besloten tot een propagandareis naar Bonaire.

Den 23sten October des avonds te 10 uur aanvaardde ik de reis met de Christiansted. Om half vijf lag het schip bijna onbeweeglijk en begreep ik, dat wij het doel onzer reis nabij waren.
Daar lag het eiland voor ons, zich donker afteekenende tegen den mooien sterrenhemel. Links ziet men den Brandarisberg, rechts verliest zich de lage kust van het zuidelijk gedeelte des eilands in zee. Recht voor ons uit zien we de lichten van de ‘Kortenaer’, ons oorlogsschip, dat hier zijn anker heeft laten vallen.
De zon rijst statig omhoog, het wordt al lichter en lichter en daar verschijnt het geheele landschap voor ons in den vollen glans der morgenzon. De zee is zoo kalm, als geleek zij eene rivier en het schijnt ons toe of we ons plotseling overgebracht zien naar een plekje in Holland op een onzer groote stroomen, waar de nette huizen, met hunne roode en blauwe daken en hunne aardige dakvensters, zich op een dijk langs de rivier uitstrekken. Het is hier echter geen dijk, door menschenhanden vervaardigd, doch geheel gevormd door de natuur uit koraal en het ligt voor de hand, dat de hoofdplaats van dit eiland daar den naam Kralendijk aan te danken heeft.
Het geheel maakt een netten en liefelijken indruk en onze driekleur, die op het oude fortje wappert, behoeft ons niet te zeggen, dat we hier in eene Hollandsche kolonie zijn.
Onze voorouders hebben ook hier op dit eilandje hun Hollandsch stempel gedrukt.
Zou de geest der bewoners ook nog zoo Hollandsch zijn?
We zullen dit spoedig weten.

Vlak over ons bevindt zich het groote ruime gezaghebbershuis, daarnaast het fort en aan weerszijden van beide strekt zich het plaatsje langs zee uit. Heel in de verte van het laatste huis, zien we de Roode Kruisvlag waaien. Het is het huis van dr. Belle, die zich zoo even met een sloepje naar boord heeft laten brengen om zich te overtuigen, dat we geen gele koorts medegebracht hebben. Al zou de naam van het eiland ons doen denken, dat de menschen hier allen gezond moesten zijn, toch kan de frissche lucht, die over het eiland waait, niet alles doen en heeft men ook hier een dokter noodig om de gezondheid er bij de bewoners in te houden.

Wanneer ik u vertel, dat dr. Belle de eenige dokter op het eiland is en moet waken over de gezondheid van pl. m. 6000 menschen, daarbij dikwijls uren lang in de brandende zon te paard moet zitten om zijne zieken te bezoeken, dan zult ge u wel kunnen voorstellen, dat de dokter van Bonaire geen gemakkelijke taak heeft en wel over een ijzersterk gestel moet kunnen beschikken. Men kan hier niet zeggen: ‘het geld verzoet den arbeid’, want het jaarlijksch traktement, aan deze betrekking verbonden, bedraagt slechts f 2500.
Dr. Belle maakt zich ook nog verdienstelijk door zijne groote belangstelling in de visscherij en de schildpaddenteelt.
Nadat de dokter toestemming gegeven had van boord te gaan, verlieten we de ‘Christiansted’ en eenige oogenblikken later bevond ik mij onder het gastvrije dak van den heer H. Statius Muller, waarnemend gezaghebber, in wiens familiekring ik eenige aangename dagen zou doorbrengen.

Van het gezaghebbershuis af heeft men een fraai uitzicht op zee, op Klein-Bonaire, op de hoofdstraat van Kralendijk en op het meer landwaarts in gelegen Roomsche kerkje met school en omringende nette huisjes.
Daar het bij hooge uitzondering wat geregend had, zag het geheele landschap er nogal frisch uit, terwijl zelfs eenige schapen deden alsof zij met smaak aan ‘t grazen waren.
Toch krijgt men dadelijk den indruk, dat het eiland meer begroeid is dan het Oostelijk gedeelte van Curaçao. Wel heeft men daar de mooie hofjes met heerlijke vruchtboomen, doch daar buiten is alles kaal en dor en hebben de bergen eene roodbruine kleur, terwijl er geen sprietje op groeit. Hier zijn ook de bergen meer begroeid met divi-diviboomen en cactus (cardouches).
De eerste indruk van het plaatsje moge niet ongunstig zijn; het is alles slechts schijn. Een eenigszins langer verblijf zal u daarvan overtuigen. Zie, al die nette huizen en huisjes, het zijn alle slechts overblijfselen van vroegere welvaart.

Lees verder: http://www.dbnl.org/

dbnl_logo_s

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *